Wanderlust – Reislust

Wandelaars in de 19e eeuwse kunst

Tekst: Han Verschuur

Wanderlust is al vanaf de middeleeuwen een begrip in de Duitse taal en cultuur. Het is zo oer-Duits, dat het onvertaald zelfs in het Engels is overgenomen. Voor het Nivon is wandelen in de betekenis van een wandel- of trektocht maken al bijna 100 jaar een hoofdactiviteit.

Eigenlijk is wandelen voor die bezigheid een wat onbeholpen vertaling uit het Duits, in feite zelfs een germanisme. Dat is mogelijk de reden, waarom je tegenwoordig vaker het Engelse leenwoord hiken tegenkomt voor de activiteit die voor menigeen met zoveel ´lust´ verbonden is.

Tot medio september 2018 was in de Berlijnse Nationalgalerie een boeiende tentoonstelling te zien met als titel Wanderlust. Centraal thema van de 120 tentoon gestelde objecten was de wandelaar in de natuur, een thema waardoor menig beeldend kunstenaar in de 19e eeuw geïnspireerd werd. Eén van de markantste schilderijen met wandelen als motief is het werk Wandelaar boven de nevelen (1818) van Caspar David Friedrich.

Reizende gezellen

Het zijn Duits-Oostenrijkse reizende gezellen geweest, die het rondtrekken tot cultuur verhieven. Vanaf de middeleeuwen tot in de 19e eeuw moest een Duitse gezel op weg naar het meesterschap in zijn ambacht er op uit trekken om andere culturen en technieken op zijn vakgebied te leren kennen. Deze trektocht werd aangeduid als Walz of Tippelei. Pas onder Bismarck werd het verplichtende karakter van deze opleidingszwerftocht opgeheven.

Bij aankomst in een andere stad moest de gezel zich melden bij de Zunftvater van het betreffende gilde. Als er geen werk was, dan kreeg hij een klein handgeld om de reis naar de volgende stad te kunnen aanvaarden. Met de opkomst van manufacturen in de 18e eeuw waren de werklieden sterker gebonden aan hun werkplek en voor het industrieproletariaat was het meesterschap niet weggelegd. Daarmee verdween ook de noodzaak om er als ambachtsgezel op uit te trekken.

Desondanks is deze oude traditie bij diverse ambachtelijke beroepen nog altijd bewaard gebleven. Sinds de jaren 80 van de vorige eeuw herleeft deze aan eeuwenoude conventies gebonden traditie zelfs weer. De reizende gezel is niet ouder dan 27 jaar, is ongehuwd, en heeft geen strafblad of schulden. Gedurende drie jaar en een dag is de wijde omtrek van de geboortegrond taboe. De trekkende gezel verplaatst zich te voet, of lift soms bij uitzondering een stukje.

Kluft (kloffie) en toebehoren

De Kluft (het uniform) van de gezel bestaat uit een opvallende hoed, als teken, dat de drager vrijgesteld is door zijn baas, een wit hemd zonder kraag, een zijden of manchester spencer met knopen van parelmoer, een jacket en een wijd uitlopende pantalon, beide uitgevoerd in manchester. Een gouden oorring met het ambachtswapen aan het linkeroor diende om de begrafeniskosten te dekken, als de gezel onderweg onverhoopt het leven liet.

Een belangrijk attribuut van de reizende gezel is de Charlottenburger, een doek van 88 bij 88 cm, waarin deze zijn ondergoed, zijn tandenborstel en zijn gereedschap bewaart. Onmisbaar is verder de Stenz, een gedraaide en bewerkte stok, die de gezel traditioneel bij zich droeg om zich slecht volk en loslopende honden van het lijf te houden. Wapens mochten ze niet dragen.

De verspreiding van de in 1895 in Wenen opgerichte  Natuurvriendenbeweging over Europa en zelfs naar Amerika is vooral te danken aan reizende gezellen, die zich bij de Natuurvriendenbeweging hadden aangesloten.

Buiten de Tippelei van de gezellen waren trektochten door de natuur bepaald geen bezigheid voor de arbeidende klasse. De vrije toegang tot de natuur moest zelfs nog bevochten worden door het proletariaat. Tot aan het einde van de 19e eeuw gold er geen wettelijke beperking van de arbeidstijd. Vaak moesten arbeiders tot 16 uur per dag werken. Alleen op zondag werden ze daarvan vrijgesteld om kerkbezoek mogelijk te maken. Veel energie om er na de kerkgang nog op uit te trekken zullen de arbeiders niet hebben gehad. In plaats daarvan was er hooguit een gang naar de kroeg voor een goedkope foezel. Een wandeling door de natuur was eerder aan de bourgeoisie voorbehouden.

Jean-Jacques Rousseau wordt beschouwd als de aanstichter van de burgerlijke vlucht in de natuuridylle. Wandelen werd tot middel om te ontsnappen aan de maatschappelijke dwang. Beeldend kunstenaars liepen in de periode van de romantiek vooruit op de maatschappelijke tendens. Natuur werd niet langer als wildernis gezien, maar als iets moois en verhevens. Toch waren wandeltochten door de natuur meer dan nu met gevaar verbonden en alleen daarom al voor velen niet bereikbaar.

Emancipatie

De Deense schilder Jens Ferdinand Willumsen portretteert in zijn De bergbeklimster (1912) voor het eerst een ongedwongen geklede, vrouw, onbegeleid in het mannendomein van het alpinisme. Hier wordt voor die tijd lichtelijk provocatief de burgerlijke emancipatie van de vrouw in beeld gebracht, drie jaar voordat in Denemarken het vrouwenkiesrecht werd ingevoerd.  Maar ook de verovering van de bergen door de Natuurvrienden was verbonden met een emancipatiestrijd. Arbeiders waren niet gewenst in de hutten van de burgerlijke Oostenrijkse Alpenverein. Al in 1905 kon je in Wenen alleen lid worden, als je je Arische afkomst kon aantonen. Vanaf 1924 mochten joden zelfs niet eens meer bediend worden in de hutten van de Alpenvereniging.

– De Bergbeklimster – Jens Ferdinand Willumsen, 1912, Statens Museum for Kunst, Kopenhagen

Wandervögel

In de romantische natuurbeleving onderscheidden de Natuurvrienden zich niet veel van de burgerlijke Wandervögel. De Wandervögel vertoonden wel eerder een escapistische tendens, terwijl de Natuurvrienden onder meer met het concept soziales Wandern vooral georiënteerd waren op emancipatie en educatie van de arbeider in de natuur. Het ging daarbij niet zozeer om het aantal af te leggen kilometers, maar om het ontdekken van de wereld en een beter begrip ervan.

Bovenstaande afbeelding sierde al vanaf 1898 het verenigingsblad Der Naturfreund. Een wandelaar betreedt bij het ochtendgloren het berglandschap en brengt de oorspronkelijke Natuurvriendengroet Berg heil uit. Met zijn eenvoudige kleding en zijn halsdoek representeert hij de arbeidersklasse. De eerste Natuurvrienden streden wel met succes voor vrije toegang tot de natuur voor het proletariaat. De opgaande zon staat voor de overwinning van de arbeidersklasse, hoewel de socialistische hymne Brüder zur Sonne zur Freiheit (Broeders verheft u ter vrijheid, broeders omhoog naar het licht) pas vanaf de jaren twintig zou worden gezongen. De afbeelding, die de voorpagina van het verenigingsblad van de Natuurvrienden tientallen jaren sierde wekt de indruk, dat de Natuurvriendenbeweging een pure mannenaangelegenheid was, zoals het alpinisme aanvankelijk alleen een bezigheid voor mannen was. Om misverstanden te voorkomen heeft het Duitse verenigingsblad inmiddels een geschlechtsgerechte aanduiding gekregen: Naturfreundin.