Toorts Magazine

Geschiedenis 1924 -2006

(geschreven voor het Vrijwilligershandboek in 2006 door Rob de Lange)

In de beginjaren van het Nivon (toen nog Instituut voor Arbeidersontwikkeling geheten) moesten vorming en scholing de kennis en ontwikkeling van de arbeider verhogen, kunst en cultuur moesten zijn geestelijke horizon verruimen en ook zijn zelfbesef en gemeenschapsgevoel bevorderen. Het was het streven van Koos Vorrink (de geestelijk vader van de Arbeiders Jeugd Centrale) om van het IvAO een volwassen versie van de AJC te maken; hij probeerde een begin te maken met de opbouw van een nieuwe socialistische cultuur.

Bij het doorbladeren van oude Toortsen zie je dat enorm veel aandacht werd besteed aan kunst en cultuur; jarenlang sierden de gedichten van Herman Gorter, Roland Holst en Margot Vos De Toorts. Mensen begrepen dat het socialisme meer was dan een verkiezingsprogramma, dat het ook een wereldbeschouwing was, een belofte. Belangrijk voor de cultuuroverdracht waren de zogenoemde zondagmorgenbijeenkomsten, die de afdelingen in elke grote en middelgrote plaats hielden. Die bijeenkomsten gingen over socialisme en arbeidersbewegingen, over kunst, muziek, film, toneel of literatuurgeschiedenis. In 1929 werden 203 bijeenkomsten gehouden met in totaal 22.518 deelnemers. In 1930 groeide het aantal deelnemers naar 55.202 en in 1932 waren het er 82.774. De bijeenkomsten waren eigenlijk een soort alternatief voor niet-kerkelijke arbeiders. De bezoekers moesten zich wel fatsoenlijk gedragen. De Toorts vermeldt:

‘Niet colporteren met brochures, speldjes, bonnetjes en dergelijke en vooral geen geschreeuw.’

Het ergste was nog wel het applaus:

‘Onze mensen zijn daar veel te gul mee; willen na elk onderdeel van elk nummer blijkbaar niets liever doen, dan héél hard in de handen klappen.’

Ter lering en vermaak

In de dertiger jaren nam het scholenwerk een zeer belangrijke plaats in voor de arbeidersontwikkeling en voorzag het in een grote behoefte. In 1933 waren er 181 scholen met 4.500 leerlingen. Meer mannen dan vrouwen; meer dan de helft van de deelnemers kwam uit de partij of vakbond en was geen instituutslid. Over politiek of actuele maatschappelijke kwesties werd niet gesproken; het ging om zuivere kennisoverdracht.

Door de toename van vrije tijd wilden de arbeiders ook wel eens op vakantie. In 1929 fuseerde de IvAO met de Nederlandse Arbeiders Reis Vereniging en sindsdien is het natuurvriendenwerk een belangrijke tak geworden. Het ledenaantal ging met sprongen omhoog. Voor velen was de relatie tussen socialisme en natuurbeleving niet meer weg te denken. Reden genoeg om natuurhuizen te bouwen. De Toorts meldt:

‘Nederland moest een keten van huizen hebben, om den wielrijdende trekker zijn steunpunten te geven en aan den niet-trekker gelegenheid geven zijn vakanties, zonder al te grote offers te kunnen doorbrengen in de vrije natuur.

Soms werden de huizen nieuw gebouwd (Krikkenhaar), soms verbouwde men een varkensstal (Ons Honk bij Lage Vuursche). Het verblijf in een huis was relatief goedkoop (vijftig cent per etmaal voor leden), mede door de inzet van huiswachten, meestal echtparen, die vrijwillig een week op de huizen pasten en er op toezagen dat alles volgens de regels verliep.

Het succes van het Natuurvriendenwerk was niet uitsluitend te danken aan de huizen, de wandel- en fietstochten en de kampeerterreinen. Ook de georganiseerde reizen naar het buitenland waren populair. De Nederlandse natuurvrienden behoorden tot de Naturfreunde Internationale (NFI), die overal in West-Europa huizen bezat. Daardoor konden goedkope gezelschapsreizen worden aangeboden naar natuurvriendenhuizen in onder andere Oostenrijk, Duitsland en Zwitserland. In 1936 kostte een elfdaagse skivakantie naar een Zwitsers natuurvriendenhuis f 47,50. Toch maakte maar weinig mensen daar gebruik van. De meeste mensen hadden maar een paar dagen vakantie, de bouwvak bestond nog niet.

In de dertiger jaren kwam, mede door de toenemende werkloosheid en de dreiging van het fascisme, de behoefte om meer politiek bewust te worden. Koos Vorrink maakte al in de beginjaren duidelijk dat politiek bij de partij en de vakbeweging thuishoorde. Achtergrondinformatie geven mocht wel. Het instituut deed veel voor de werklozen: er werden cursussen gegeven op cultureel gebied, maar ook over techniek, volksopvoeding, boeken, vakbeweging en politiek. Regelmatig werd in De Toorts gewaarschuwd tegen het nazisme in Duitsland.

Stertochten

De jaarlijkse eenmalige weekendbijeenkomsten, zoals Kerstkampen, Pinksterkampen en Paaskampen waren zeer populair. Ook bijzonder waren de zogenoemde Stertochten. Daar ging iedereen heen: mensen van de VARA, de bond, de partij. Het was een grote happening, een soort Pinkpop. Het werd een traditie om jaarlijks – dan in het ene, dan in het andere land – internationale kampen te organiseren. Ieder jaar werd een ander land aangewezen. In 1955 was Nederland aan de beurt om het Internationale Pinksterkamp te organiseren. De jeugd had haar eigen kampeerkampen.

Doelgroepen

Na de oorlog kwam er meer aandacht voor speciale doelgroepen: gezinnen, vrouwen, ouderen en jongeren. Incidenteel was er bijvoorbeeld aan vrouwenontwikkelingswerk gedaan; maar Amsterdam gaf de aanzet voor de vrouwenontwikkelingsweken. In het begin waren de programma’s nog niet echt cultureel; maar dat veranderde al snel. Sommige vrouwen mochten absoluut niet van hun man; voor de meeste vrouwen was zo’n week een openbaring.

In 1954 werd het G.W. Melchersfonds opgericht, genoemd naar de medeoprichter van de socialistische verzekeringsmaatschappij De Centrale (tevens oud bestuurslid van het IvAO). Het fonds was bedoeld om de oudere Nivonners een weekje gratis vakantie aan te bieden. Toen de AOW werd ingevoerd konden ouderen tegen een gereduceerde prijs op vakantie. Deze vakantieweken, met een iets andere opzet en invulling, floreren nog steeds.

Een brave club

Eind jaren vijftig was het Nivon een wat brave, culturele organisatie. Formeel niet meer verbonden aan de sociaal-democratie, maar het volgde toch netjes de standpunten van de PvdA. Communisten waren als vanouds nog het schuim der aarde. In de Toortsen uit die tijd veel artikelen over de inrichting van je huis, de kunst van het glasblazen, melkwegstelsel, de politie en film, veel film. En natuurlijk veel aandacht voor de natuurvriendenhuizen en het reizenwerk.

De maatschappij en het straatbeeld veranderde. Daarvan merk je echter niets binnen het Nivon.

Ook voor jongeren was er niet veel te beleven en toen in 1959 de AJC werd opgeheven, werd als de bliksem het Nivon Jongeren opgericht, als relatief autonome tak van het Nivon. In het begin leken de activiteiten veel op die van de AJC: volksdansen, kamperen, etc.

Een aanzet tot vernieuwing werd gegeven op het congres in 1959; de naam werd veranderd in Nivon, maar het was niet makkelijk om daadwerkelijk voet aan de grond te krijgen. Er verschenen vele rapporten, brieven en nota’s, maar er zat weinig beweging in. De activiteiten hadden niet veel meer te maken met het socialisme en tegen het eind van de jaren zestig begon het Instituut verwoede pogingen te doen om een voorhoede te kweken van progressieve, bewuste mensen. Ook de jongeren in het Nivon wilden verandering en brachten leven in de brouwerij. Ze discussieerden over discriminatie, oorlog, vrede en communisme.

Het bestuur wenste meer politieke bewustwording. Maar de meeste leden bemoeiden zich in de afdelingen niet met politiek. Dat hadden de ouderen ook geleerd: politiek, daarvoor had je de partij en vakbeweging. Maar het Instituut moest niet louter een recreatieve club worden; er moest meer ruimte komen om kritisch na te denken over de bestaande situatie met haar positieve maar ook zeer negatieve kanten.

Herkenbaarheid

Een nadrukkelijke uitstraling als vooruitstrevende organisatie was niet alleen een kwestie van ideologie, maar ook van lijfsbehoud: nieuwe klandizie was hard nodig. Het Instituut moest een duidelijk en herkenbaar gezicht krijgen: progressief, democratisch socialistisch, niet langer oubollig, dus aantrekkelijk voor linkse en milieubewuste mensen. Vorming en natuurvriendenwerk moesten meer een eenheid vormen dan voorheen. Niet iedereen was gelukkig met de nieuwe weg die het Nivon in wilde slaan, aldus de vele ingezonden brieven in Toorts (het lidwoordje De was inmiddels uit de naam geschrapt).

Toch konden over het algemeen de sociaal-democraten oude stijl en de nieuwe leden uit progressieve kring het best wel met elkaar vinden. Natuurlijk waren er ook ergernissen. Onder andere over huiswachten die om 23.00 uur het licht uitdraaiden en de – verboden – pilsjes die toch wel gedronken werden. Vooral de jongeren hadden daar moeite mee. Alcohol was in de natuurvriendenhuizen ten strengste verboden, want alcohol was de oorzaak van alle ellende van arbeiders! Het alcoholvraagstuk was al vele jaren een discussie binnen het Instituut. Emoties laaiden vaak hoog op. Op het congres in 1986 werd het voorstel aangenomen om op de natuurvriendenhuizen lichtalcoholische dranken toe te staan.

Kader

Het Instituut ging op zoek naar kader in afdelingen, gewesten en regio’s en de landelijke kaderscholing voor regio’s en federaties begon gestalte te krijgen. Maar pas in de tachtiger en negentiger jaren slaagde het Instituut er in oude vormen aan te passen aan nieuwe tijden: een combinatie van individualiteit en collectiviteit.

Natuurvriendenhuizen werden verbouwd en anders ingericht, meer aangepast aan de wensen van het individu. Sober, maar wel van goede kwaliteit en met gebruik van milieuvriendelijke materialen. Het Nivon gaf Streekwijzers uit met daarin veel aandacht voor de omgeving van de huizen en gaf de aanzet tot het uitzetten van wandelpaden en uitgeven van wandelpadboeken met langeafstandswandelroutes in heel Nederland.

Er werden projecten opgezet op velerlei gebied: politiek, cultureel, duurzaamheid, multicultureel, op locatie in de afdelingen enz. De laatste jaren zijn sommige projecten weer afgebouwd, maar net als in de maatschappij, is ook binnen het Nivon een duidelijke golfbeweging waar te nemen met daarin steeds veranderende normen en waarden. Zolang het Nivon zich bewust blijft van die ontwikkelingen, daar daadwerkelijk op een goede manier op inspeelt, of liever zelfs op een creatieve manier het voortouw in neemt, heeft het grote kans op een zonnige toekomst. Het blijkt dat het Nivon in staat is, zonder enige structurele overheidssubsidie, door te blijven gaan en zelfs te vernieuwen. Door middel van schaalvergroting en nieuwerwets besturen lukt het om met een afnemend aantal bestuurders hetzelfde of zelfs meer te doen. Vrijwilligersbeleid volgens de 5 B’s geeft op moderne wijze vorm aan het vinden en binden van nieuwe vrijwilligers.